Postbode

Geplaatst door: april 20, 2012

 

De man droeg lang, vettig haar, bijeengebonden in een paardenstaart. Aan zijn kin en wangen hing gezichtsbeharing van het kleurtype peper en zout. Door zijn rechterneusvleugel was een zilverkleurige ring geboord, met de omtrek van een 1-euromuntstuk. Zijn blik was die van iemand in grote psychische nood, dan wel van iemand onder invloed van alcohol of drugs. Of een combinatie daarvan. Hij droeg een verschoten, ruimzittende jas in de kleuren oranje, zwart en wit. Op zijn rug het opschrift ‘TNT’. Daaronder een vale spijkerbroek, en aan zijn voeten afgetrapte, gele sportschoenen van het merk Adidas. Aan de buitenzijde van de linkerschoen ontbrak de derde streep.

Hij duwde met zijn rechterhand een driewielig karretje voor zich uit. Op het karretje waren drie grote fietstassen gemonteerd. De tassen waren grijs, met oranje flappen. Op de oranje flappen de letters TNT. Er zat een scheur van zo’n dertig centimeter in één van de flappen. Uit de tassen staken stapels brieven en pakketjes, bijeengehouden door dik elastiek. In zijn linkerhand hield de man een zelfde soort pakketje. Zijn rechtermondhoek omklemde een smeulend shaggie. Hij nam de peuk uit zijn mond. De nagels vertoonden rouwranden, de vingers hadden een gelige kleur. Hij spoog een enorme fluim op de trottoirtegels. Vervolgens stak hij het laatste restje omvloeide tabak weer tussen zijn lippen en vervolgde hij zijn ongeïnspireerde weg.

Het was de postbode.

In de jaren zeventig van de vorige eeuw zat ik elke woensdagmiddag rond half twee ‘s middags voor het raam van onze flat op drie hoog. Vol spanning speurde ik de straat af. Woensdag was de dag dat de nieuwe Voetbal International werd bezorgd. Ik snakte naar het moment waarop ik de adreswikkel van het verse voetbaltijdschrift kon halen en het blad kon openslaan. Ik verbeeldde mij reeds de geur van het nieuwe papier te ruiken, en vroeg mij af welke voetbalcrack er deze week op de cover zou staan. Ik gokte op Ruud Geels, de kalende spits van Ajax. Hij was in de wedstrijd van afgelopen zaterdagavond met vijf goals de grote uitblinker tegen Feyenoord. Eindstand 6-0. Ik zou het blad eerst helemaal doorbladeren, om te zien welke verhalen en foto’s mij de komende week weer uren lees- en kijkplezier zouden bezorgen. Na die eerste inspectie zou ik elk woord in me opzuigen en elke foto op mijn netvlies branden.

Het duurde voor mijn gevoel uren voordat ik in de verte het geklepper van brievenbussen hoorde. Ik zag de veroorzaker van het geluid nog niet, maar ik wist dat hij nu spoedig zou verschijnen. Opwinding maakte zich van mij meester. Ik opende de deur van onze woning, en nam met grote sprongen de vijf betonnen trappen naar beneden. Ik liep de buitendeur uit, en draaide mijn hoofd naar links. Vanaf die kant kwam hij, elke woensdag weer. Vijfentwintig meter verderop zag ik hem staan, voor de brievenbussen van het flatportiek waar mijn vriendje Hendrik woonde. Een keurig gekapt hoofd, goed onderhouden snor op zijn bovenlip, wangen en kaaklijn gladgeschoren. Hij droeg een onberispelijke grijze pantalon met strakke vouw in de pijpen en een colbert van degelijke, donkere snit. Onder het colbert een smetteloos wit overhemd, met daarop een stropdas. De zwarte schoenen glommen als spiegels, gevolg van ongetwijfeld langdurig poetsen. Naast hem stond een driewielig karretje met daarop chique zwarte leren tassen.

In zijn linkerhand hield hij een pakketje brieven. Geroutineerd liet hij zijn ogen over de enveloppen gaan, en met een zwierige beweging liet hij de poststukken in de verschillende brievenbussen glijden. Toen zijn hand leeg was, duwde hij het karretje voor zich uit en bewoog hij zich in mijn richting. Op het moment dat hij me in het vizier kreeg, krulde een glimlach zijn lippen. Aangekomen bij ons portiek klonk een opgewekt ‘goedemiddag!’ Zijn hand verdween in één van de tassen. Met een zwaai trok de man een stapel door elastiek bijeengehouden papier uit de tas. Hij verwijderde het elastiek, en begon te bladeren. Al snel zag ik de dubbelgevouwen Voetbal International tussen de poststukken oplichten. De gemanicuurde vingers hadden het tijdschrift ook gevonden, en visten hem uit de stapel. Met een royaal gebaar gaf de man mij het begeerde blad. ‘Alsjeblieft, jongen’, klonk het vriendelijk. Blij pakte ik het tijdschrift aan. ‘Dank u wel, meneer!’

Het was De Postbode.

Toninho Cerezo

Geplaatst door: juli 8, 2011

Eerder verschenen op de website van Hard Gras.

Toninho Cerezo

Soms denk ik nog aan Toninho Cerezo.


Een van de sierlijke middenvelders van het laatste Braziliaanse nationale voetbalelftal dat recht kan doen gelden op de benaming ‘Goddelijke Kanaries’: het WK elftal van 1982, toen Brazilie de wereld verrukte met authentiek sambavoetbal. Stukgedraaid heb ik de Video2000- band met de samenvatting van de Mundial in Spanje. Elke keer weer raakte ik begeesterd door de schoonheid van het spel van Toninho Cerezo, Zico, Socrates, Eder en consorten. Het liep fout af: met drie dodelijke doelpunten knalde de Italiaan Paolo Rossi het leven uit de van klasse en voetbalplezier overlopende Selecao. Brazilie werd vermorzeld door een cynische Squadra Azzurra, die op de golven van de euforie vervolgens het wereldgoud pakte.


Ik koos Toninho Cerezo als mijn idool. Gracieus bewoog hij zich over het veld, kwistig strooiend met nonchalante doch uiterst nauwkeurige passjes. Zo wilde ik ook voetballen.


Ter voorbereiding op mijn wedstrijden voor het plaatselijke juniorenteam draaide ik het volkslied van Brazilie op mijn pick-up. Ik stond strak in de houding, mijn ogen gericht op de foto’s van Cerezo op mijn tienerkamerwand. Nadat de laatste tonen van de Hino Nacional Brasileiro hadden geklonken, bond ik de sporttas op de bagagedrager van mijn fiets en reed ik naar het voetbalveld, waar ik vervolgens op Cerezoaanse wijze heerste op het middenveld.

 

Klik op de afbeelding hieronder voor de weergave van dit verhaal op de website van Hard Gras:

Hard gras copy

 




Jongensboekenromantiek

Geplaatst door: mei 6, 2011

Fromberg copy

Een zonnige zaterdagmorgen in april. Om half tien hees ik mij op de vintage RIH-racefiets, klikte mijn pedalen vast, en seconden later was ik op weg voor 125 kilometer fietsen door het Zuidlimburgse heuvelland. Eindelijk: de Amstel Gold Race, de Nederlandse wielerklassieker. De toerversie, maar toch: ik trad in het spoor van wielergrootheden als Fausto Coppi, Eddy Merckx, Jan Raas, Lance Armstrong, Philip Gilbert en een eindeloze rij andere helden. Een jongensdroom vervuld, op 44-jarige leeftijd. Waarmee maar weer eens bewezen werd dat geduld een schone zaak is. Het zou mij niet verbazen als ik ook ooit nog eens een partijtje voetbal in het Londense Wembley Stadion zal spelen. Of zal zingen in Paradiso. Of brandweerman word. Alles kan, als je maar blijft dromen.

Een niet gering aandeel in het geluksgevoel die dag had de aanwezigheid van zoon David. De maanden voorafgaande aan de toerklassieker had ik de vijftienjarige knaap door weer en wind over de Noordhollandse polderwegen gejaagd. Want, zo had ik hem voorgehouden, een puike conditie was onontbeerlijk als de venijnige puisten rond Valkenburg overwonnen moesten worden. Hij had zich er manmoedig doorheen geslagen, met als hoogte- (of diepte-) punt een helse rit in regen en wind langs de Amstel naar Uithoorn en via Vinkeveen weer terug naar Amsterdam. Verkleumd tot op zijn jonge botten liet hij zich na die memorabele trainingsrit uit zijn doornatte wielerkleding helpen, waarna hij voor drie kwartier onder de hete douche verdween, wanhopig trachtend zijn lichaam weer tot leven te wekken.

Maar deze zaterdag, 16 april 2011, betaalde de verrichte trainingsarbeid zich uit. David draaide soepel mee in het peloton wielertoeristen, en liet mij, met name in beklimmingen, dikwijls zijn achterwiel zien. Ik genoot van zijn pedaaltred en zijn stoere voorkomen. De gedachten gingen terug naar veertien jaar eerder, toen dezelfde jongen, nog witgekuifd, voorop de fiets in het kinderzitje zat, onverstaanbare woordjes brabbelend en het Limburgse landschap in zich opnemend. De eerste en de laatste vakantie met zijn vader en moeder samen. Daardoor ook de mooiste.

Hoewel sommige heuvels het uiterste vergden van onze ouderwets stalen racefietsen en van onze jonge en niet meer zo jonge benen, en een quasi- berg ons zelfs te machtig was en ons deed afstappen, bereikten wij toch opmerkelijk fris en in vliegende vaart (want in afdaling) Valkenburg. Deze scene had ik al vaak op televisie gezien, en ik wist dan ook wat er komen zou: verder op de Daalhemmerweg, recht op de mensenmassa rondom de cafes in het centrum af, en dan linksaf de Cauberg op. De mythische Cauberg, de beroemdste wielerplek van Nederland.

Het ging als verwacht. We namen de bocht, begeleid door luide aanmoedigingen, voortgebracht vanuit door bier gesmeerde kelen. Nog 900 meter.

De voet van de berg was nog te doen. Maar daarna: de ruim dertig jaar oude RIH, die al twee generaties Wilkers zonder morren de illusie van een wielerkampioen had gegeven, begon te kraken. Ik had teruggeschakeld naar het lichtste verzet, maar mijn benen kregen het bijna niet rond. De mensen langs de kant schreeuwden me vooruit, maar het lijf sputterde tegen, net als de RIH. De benen verzuurden en gaven het signaal dat de limiet was bereikt. Maar afstappen op de Cauberg? Voor het oog van zoveel mensen? En voor dat van David, die naast me reed? En voor dat van Fausto Coppi, die vanuit de hemel toekeek? Dat nooit! Ik verhief me van mijn zadel en trapte met alle macht. Ik kreeg weer vaart. En merkte, dat het stijgingspercentage begon af te nemen. En dat ik daardoor de pedalen weer makkelijker rond kon draaien. Ik was er door! Nog 300 meter, zag ik op een bord naast de weg. Ontroerd keek ik David aan: ‘We hebben het gered!’ zei ik, met een snik in mijn stem.

De finish naderde. Ik pakte de rechterarm van David en stak hem in de lucht. Zoals Gerrie Knetemann dat deed met de arm van Joop Zoetemelk, toen zij in 1980 de finish van de laatste etappe in Parijs bereikten en Zoetemelk de Tour de France won. Zo overschreden David en ik samen de eindstreep op de top van de Cauberg.

Jongensboekenromantiek.

Finish copy

 


 

 

 

Brugwachter

Geplaatst door: april 8, 2011

Brugwachtershuisje

Zoals elke doordeweekse morgen, stak ik ook deze donderdagochtend vanaf de Baarsjeweg de Overtoomse Sluis over en kwam ik met mijn fiets tot stilstand voor het stoplicht dat mijn koers richting Amstelveenseweg tijdelijk onderbrak. De zon stak zijn hoofd aarzelend om de hoek van het wolkendek, de temperatuur was behaaglijk en gedachteloos nam ik plaats tussen de andere, op het groene licht wachtende Amsterdammers.

Opeens een stem achter mij: 'Hé, Wilkers!'. Ik draaide mij om, en zag, op het trapje dat leidde naar het brugwachtershuisje, oud-collega Winfried staan. 'Koffie? Of heb je haast?' Hij zag er patent uit in zijn uniform van de Dienst Binnenwaterbeheer Amsterdam. Zijn rossige haar droeg hij nog immer in jaren vijftig stijl: strak achterover gekamd, ongetwijfeld met behulp van Brylcreem. Het brilmontuur op zijn neus was ook wars van modegrillen. De tijd scheen geen vat te hebben op zijn gezicht: nauwelijks een spoor van veroudering ten opzichte van de keer dat ik hem voor het laatst had gezien, enkele jaren terug. Ik vermoedde een relaxed leven. Ik besloot dat ik geen haast had, zette mijn fiets tegen de brugreling en volgde Winfried de trap op, naar binnen.

Na zijn ontslag als filmlaborant, zo'n drie jaar geleden, besloot Winfried een baan te zoeken binnen zijn oude professie, de scheepvaart. Hij solliciteerde als brugwachter, en werd aangenomen. De afgelopen jaren volgde hij een aantal cursussen, en inmiddels is hij een geroutineerd bediener van de hoofdstedelijke bruggen.

Ik betrad een riante werkplek: bureautje met computerscherm, comfortabele fauteuil, breedbeeldtelevisie, dvd- en cd speler, en een keukenblok met op het aanrecht een Senseo-apparaat. Aan de muren mooie foto's van de brug in vervlogen tijden, en van enkele boten die de Overtoomse Sluis ooit hadden gepasseerd. Voor de ramen half gesloten Luxaflex, en in de vensterbank een enkele potplant. Verder vier televisieschermen met daarop livebeelden van de Overtoom en, vanuit drie posities, van de verderop gelegen Zeilbrug, die vanaf deze plek op afstand wordt bediend.

Breed grijnzend keek Winfried mij aan. 'Een heerlijke baan. Ik verdien veel meer dan destijds bij het bedrijf waar wij collega's waren, en hoef daar minder uren voor te draaien. En ik heb geen enkele stress: ik kan hier studeren, lezen, beetje televisie kijken, internetten… Veel bellen met collega's, en dan praten als Brugman. Ha,ha, een grappige uitdrukking, voor een brugwachter! Af en toe wel wat werken natuurlijk: de brug ophalen, en weer laten zakken. En als de brug niet meer naar beneden wil, bel ik iemand die het oplost. Daar kan ik verder ook niks aan doen, als die brug het verdomt. Nee, je hoort mij niet klagen. En jij?'

Ik droomde over het Verzameld werk van Simon Vestdijk lezen, over on-line schaken, boeken schrijven, kruiswoordraadsels oplossen en dromerig voor me uitstaren over Amsterdamse waterwegen. Tijdens werktijd.

'Eh, alles z'n gangetje. Druk, druk. Het gebruikelijke gedoe en gezeik. Maar ik moet nu gaan, ik heb een afspraak straks.' Hartelijk namen we afscheid. Ik nam mijn plek voor het stoplicht weer in. Nog één keer draaide ik me om. Winfried stond ontspannen een shaggie te draaien en keek me na. In zijn ogen las ik milde spot.

Zeldzame Zwitserse Zwieper

Geplaatst door: maart 27, 2011

Wethouder Jan Blankenschool

 

Zo'n tien kilometer voor de eindstreep van ons zondagritje op de racefiets, doorkruisen zoon David en ik Krommenie. Nou, dan weet je het wel: herinneringen aan mijn jeugd dringen zich op.

Ik heb voor een route gekozen die ons langs zwembad de Crommenije, sporthal De Gordijnhal en mijn lagere school voert. De Crommenije is er nog. Op de plaats waar ooit de sporthal was, ligt nu een kortgeschoren grasveldje. Een stukje verderop passeren wij het gele, bakstenen gebouw waar ik mijn lagere schooltijd doorbracht: de Wethouder Jan Blankenschool. Het is alsof de tweeëndertig jaar, die er liggen tussen mijn laatste schooldag en deze middag in maart 2011, wegvallen. Ik rijd langs het decor van mijn jeugd; op het oog heeft de tijd stilgestaan.

Herinneringen buitelen over elkaar heen, in de tien seconden dat we langs het gebouw rijden: ik zie de gevel van het lokaal waar ik in het zesde schooljaar zit. Er staat een raampje open, en bij dat raampje zit meester Wiebe van Duinen een zware Van Nelle weg te paffen. Ondertussen wijst hij zijn leerlingen op het gevaar van roken. Hij illustreert de teerafzetting op de longen door een haaltje van zijn shaggie te nemen en vervolgens uit te ademen in een zakdoek die hij voor zijn mond houdt. Een geelbruine vlek ontstaat op de hagelwitte snotlap. De klas is verbijsterd.

Ik zie klasgenoot Vincent, die zijn vervelende gedrag tijdens de les moet bekopen met een onorthodoxe verwijdering uit het klaslokaal: Van Duinen pakt hem bij kop en kont, en slingert hem de klas uit. Een voorbeeld van de Zeldzame Zwitserse Zwieper, Van Duinens methode om ontluikende rebellie in de klas de kop in te drukken. Dat kan tegenwoordig nog gewoon: van overspannen leerkrachten als gevolg van treiterende leerlingen is nog geen sprake. Er heerst orde en rust in de lokalen van de Wethouder Jan Blankenschool.

Mijn oog valt op Hassan, de eerste Marokkaan in mijn leven. Een curiositeit op het schoolplein en in de klas. Hassan heeft kroeshaar, een grote kromme neus en uitpuilende ogen. Hassan Kikkeroog, noemen we hem. Als Hassan slecht gehumeurd is, valt die bijnaam wel eens verkeerd. Dan achtervolgt hij je over het hele schoolplein, en als hij je te pakken heeft grijpt hij je stevig vast. Zijn bolle ogen spert hij wijd open, en uit zijn mond ontsnapt een penetrante lucht, veroorzaakt, naar verluidt, door knoflook. Marokkanen schijnen veel knoflook te eten. Hassan laat zich echter altijd weer sussen voordat het tot fysiek geweld komt. Hassan is een leuke gozer, die met ons voetbalt en soms bij mij thuis komt spelen. Ik hoor niemand over islam, integratie en Kutmarokkanen.

Ik zie mijn klasgenote Celine, die mij tijdens een garagefeestje van een andere klasgenote dicht tegen zich aandrukt op de tonen van  een schuifelplaatje. Welk romantisch nummer er gedraaid wordt op de pick-up, is verloren gegaan in de nevelen van mijn geheugen, maar ik herinner mij de warme trui die Celine draagt en waarvan de wol mijn neus tot niezen toe kriebelt. De gevoelens in mijn onderbuik zijn nieuw voor mij, en leiden tot verwarring. Haar lippen beroeren de mijne met zachte aandrang. Ze opent haar mond, en drukt met haar tong tegen mijn op elkaar geperste lippen. Gadverdamme. Ik maak mij los uit haar omhelzing en mompel iets over een glas sinas halen.

David en ik slaan af, de Landzichtlaan in. De Wethouder Jan Blankenschool verdwijnt uit het zicht. Achter mij hoor ik roepende stemmen uit het verleden: 'Wilfried, kom je voetballen?' Ik twijfel, en houd de benen stil. Mijn zoon heeft al snel een voorsprong van honderd meter. Dan zet ik mezelf weer in beweging: ik schakel een tandje bij en zet de achtervolging in.

Perspectief

Geplaatst door: maart 21, 2011

Zondag: ik ben er helemaal klaar mee. Het is weliswaar een mooie lentedag, met veel zonneschijn en vrolijke mensen, maar ik ben het Mens-Zijn een beetje beu.

De monotonie van het menselijk bestaan grijpt me bij de strot. Wéér zo'n zondag waarop ik kan uitslapen, als ik wil de hele dag.

Toch maar opstaan. Lang douchen. Ontbijtje. Ondertussen de zaterdagkrant lezen. Even de tuin inlopen voor een praatje met de buren. Daarna een dilemma: 'Zal ik het gras maaien? Of niet?' Mwah, dat kan wel wachten. Kopje koffie dan maar. Koekje erbij.

Gaap.

Op de televisie verslagen van de ramp in Japan en van de gevechten in Libië. Erg allemaal. Maar ja, die beelden kennen we nu wel.

Ajax uit tegen ADO Den Haag vanmiddag. Gaan ze verliezen, zeker weten. En PSV en FC Twente winnen gewoon. Zo'n zondag dus weer.

Opeens een ingeving: waarom niet weer eens lekker een middagje transformeren? Wie doe ik daar kwaad mee? Even uit de sleur van alledag. Een ander perspectief: verfrissend.

Een uurtje later kijk ik vanaf mijn hoge positie uit over het Vondelpark. De paden worden bevolkt door wandelaars, fietsers en skaters. Jong en oud; mooi en lelijk; wit, geel en zwart: alle menselijke varianten zijn aanwezig. Vanuit verschillende plekken stijgt muziek op, geproduceerd door muzikanten die wat stuivers proberen te verdienen. Op de velden liggen zonaanbidders met gedeeltelijk ontblote lijven. Honden dartelen uitgelaten in het rond.

Ik sta alleen en overzie dit alles. Ik voel mij verheven boven het gekrioel beneden mij. Hoe nietig zijn zij, die daar als mieren ronddwalen. Eén heftige vulkaanuitbarsting op IJsland, een daaropvolgende tsunami die de Noordzee over rolt, en in een mum van tijd zal het tafereel beneden mij weggevaagd worden.

Ik schik mijn veren en koester mij nog even in het voorjaarszonnetje.

Perspectief

Baard

Geplaatst door: maart 4, 2011

Ik vraag me af, of het als vierenveertig-jarige, getrouwde man met drie kinderen (waarvan één de deur al uit), nog wel de moeite loont om trends te volgen. Wat schiet ik ermee op?

Neem nu de baardkwestie: tegenwoordig is het mode om als man een baard te dragen. Niet zo'n drie-dagen-baardje, maar een serieus exemplaar. Eén die grote delen van de gezichtshuid volledig aan het zicht onttrekt.

Het drie-dagen-baardje droeg ik al een paar jaar. Ik verzorgde hem met zo'n baardtrimmertje, voor een paar tientjes aangeschaft bij Blokker. Het drie-dagen-baardje camoufleerde mijn baby-face. Of 'dat mooie gezicht', zoals mijn moeder het omschreef. Het voldeed tot voor kort prima, maar om me heen kijkend in de stad bekroop mij steeds vaker het gevoel dat het modebeeld een uitbundiger gezichtsbeharing van mij verlangde. Ik zag twintigers met indrukwekkende kabouterbaarden zelfbewust door Amsterdam lopen, vergezeld van prachtmeiden die devoot hun lippen op de lange baardharen drukten. Ik kon het niet verkroppen, voelde mij een oude lul. Ik moest óók een volle baard.

Ik stopte met het bijwerken van mijn stoppelbaard. Dat vergde een dosis doorzettingsvermogen: na anderhalve week begon de kweek op mijn bakkes onaangenaam te  jeuken. Ik streek de hele dag met mijn rechterhand over de beharing, wat de jeuk alleen maar verergerde. Een vrouw met wie ik mijn klachten deelde, vertelde mij dat ze het gevoel herkende. Ze had het over 'Hollywood'. Ik snapte er niets van, maar durfde niet verder te vragen. Omdat ik instinctief aanvoelde dat ik daarmee de grens van het betamelijke zou overschrijden.

Een paar dagen later was de jeuk verdwenen, en was er een respectabel baardje ontstaan. Nog niet helemaal vol, maar het werd als baard herkend door collega's, vrienden en familie. Mijn vrouw vond het wel hip, mijn zoon vond het cool, en ook mijn oudste dochter (studente in Leiden, dus haar mening doet er toe), was te spreken over de pogingen tot trendvolgen van haar vader. Afkeurende reacties werden nauwelijks geuit, althans niet binnen mijn gehoorsafstand

Desalniettemin had ik afgelopen zondag een baardinzinking. Het voelde toch wel smerig, al die haren op mijn gezicht. Ik besloot de tondeuse te hanteren om de baardgroei tot meer vertrouwde proporties terug te brengen. Opzetstuk 6 mm leek mij het juiste hulpstuk om onopvallend wat haar te laten verdwijnen.Toen ik klaar was had ik echter spijt: het baardeffect was verdwenen. Het was weer een drie-dagen-baardje. Terug bij af; ik kon weer opnieuw beginnen.

Nu heb ik wederom jeuk. Ik kan het beter verdragen dan de eerste keer. Alles went, ook dit. Maar toch vraag ik me dus af wat ik ermee opschiet, met deze krampachtige, alles overheersende pogingen om nog een beetje in de smaak te vallen met een modieus uiterlijk. Dit gedrag zal toch niet voortkomen uit zoiets ordinairs als een midlife-crisis?

Baard

Nelli Cooman

Geplaatst door: februari 25, 2011

  Nelli Cooman
 

Ik zag deze week Nelli Cooman weer eens op de televisie. Het was precies 25 jaar geleden dat zij tijdens de Europese indoorkampioenschappen atletiek in Madrid de 60 meter sprint won in een tijd van 7,00 seconden; een wereldrecord. Er werd teruggeblikt.

Ik was 19 en vond Nelli een lekker ding. Een prachtige, kleine Surinaamse vrouw, iets ouder dan ik, met een sprankelende lach, een mooie bos haar en een afgetraind lijf. Dodelijke dijen, dat was overduidelijk. Het oranje shirt stak zinnenprikkelend af tegen haar bruine huid.

Ik herinner mij het televisieverslag van die bewuste finale in Madrid. De doorgaans onderkoelde commentator Theo Reitsma raakte binnen de 7 seconden in een extase, die hij in zijn commentaar waarmee hij de legendarische solo van Maradona tijdens het WK voetbal van een paar maanden later begeleidde bij lange na niet zou evenaren. Ik verdacht hem ervan dat hij dezelfde heimelijke fantasieën over Nelli koesterde als ik. De oude viespeuk.

De posters van voetballers als Michel Platini en Toninho Cerezo waren in die tijd al lang vervangen door beeltenissen van Marilyn Monroe, Rachel Welch en de naaktreportage van Patty Brard uit de Playboy (Patty Brard? Ja, Patty Brard. Vergeet niet: we spreken over vijf-en-twintig jaar geleden). Nelli Cooman belichaamde de terugkeer van de sportfotografie in mijn adolescentenkamer. Haar sprintende gestalte in strakke outfit was verstild op het posterpapier. Zij droeg bij aan de broeierige atmosfeer die de zolderkamer dikwijls beheerste.

Toen ik Nelli afgelopen week weer terugzag, verheugde het mij te constateren dat zij in de afgelopen kwarteeuw met mijn smaak was meegegroeid. Nog steeds goedlachs en aantrekkelijk, met schattige kraaienpootjes in haar ooghoeken. Rijper geworden. Niet meer zo snel natuurlijk, maar ik heb nog steeds vertrouwen in de kracht van haar dijen. Nee, dat viel niet tegen.

Over Patty Brard zullen we verder zwijgen.


Vader-zoon

Geplaatst door: februari 19, 2011

  Vader-zoon

Voor een gezonde vader-zoon relatie is het van belang om zo nu en dan iets samen te ondernemen.

Mijn 15-jarige zoon David en ik hebben als gezamenlijke activiteit fietsen. Op de racefiets. In april gaan we de Amstel Gold Race toertocht in Zuid-Limburg rijden. 125 Kilometer fietsen door het heuvellandschap van één van de mooiste provincies van Nederland; iets om naar uit te kijken. Tot die tijd bouwen wij aan onze conditie door in het weekend tochtjes te rijden door het Noordhollandse polderlandschap. Voor mij niets mooiers dan dit hoogtepunt van de week. David zou wellicht liever op de bank naast een vriendinnetje zitten. Mocht dit al zo zijn, dan laat hij er in ieder geval niets van merken.

Vooralsnog ben ik de baas op de fiets: als het moet rijd ik David uit het wiel. Maar dat gaat wel steeds moeizamer. De dag nadert waarop ik hem zal moeten smeken om wat rustiger aan te doen, om wat medelijden te tonen met zijn vader op leeftijd. Ik vrees die dag.

Mijn vader beleefde die door alle vaders gevreesde dag op een mooie zomeravond begin jaren tachtig. Althans, daar leek het lange tijd op.

Het gezin was op vakantie en logeerde in een zomerhuisje in de tuin van de familie Ter Steege in Nijverdal. Vader en zoon hadden hun racefietsen meegenomen. De RIH en de Motobecane hadden de reis van Krommenie naar Nijverdal gemaakt op een imperiaal, gemonteerd op het dak van de gele Mercedes van Nico 'Kip' Tjipjes. De familie werd in die jaren door vrienden of collega's van vader naar haar vakantieadres gebracht; vader haalde zijn rijbewijs pas later dat decennium.

Op een avond reden vader en zoon bij een behaaglijke temperatuur door de bossen en heidevelden. Ze leken ontspannen, maar er hing wat in de lucht: competitiedrift. Het kon nooit lang duren totdat de lont in het kruitvat gestoken zou worden.

Een venijnige demarrage van zijn puberzoon aan de voet van de Holterberg was voldoende om de koers te laten ontbranden en vader Piet naar adem te doen happen. Hij werd op zijn hemelsblauwe RIH genadeloos gelost op de Overijsselse col richting Nijverdal. Soepel pedaleerde de zoon naar de top, inwendig juichend om het enorme gat dat hij geslagen had. Hoewel de aandrang sterk was om over zijn schouder te kijken, bleef hij arrogant vooruit kijken. Hij waande zich superieur.

Met een rotgang daalde hij de Holterberg af. Hij bereikte de Grotestraat in het centrum van Nijverdal. In zijn verbeelding juichten de bewoners van het suffe dorp hem hartstochtelijk toe. In een roes liet hij de pedalen rondgaan, zich reeds voorstellend hoe hij straks de finishlijn op de Eversbergweg zou overschrijden. Hij fantaseerde over een rondemiss die hem zou kussen en de overwinningsbloemen in zijn handen zou drukken. En die vervolgens smoorverliefd op hem werd. Niet in de laatste plaats verkneukelde hij zich over de aanblik van zijn verslagen vader, als deze minuten later zou arriveren.

De Wierdensestraat. Nog anderhalve kilometer. Het stoplicht bij de kruising met de Kruidenlaan stond op rood. Hij kneep in de remmen en kwam tot stilstand. Een euforisch gevoel nam bezit van zijn jongenslijf. Nog even en de overwinning was daar.

Een schim op een racefiets flitste in volle vaart langs hem heen, dwars door het donkerrode stoplicht. Auto's kwamen met gierende banden tot stilstand en begonnen als wilden te claxonneren. De fietser bereikte op miraculeuze wijze ongeschonden de overkant van de kruising.

Het was zijn vader.

Triomfantelijk grijnzend keek hij om. Beteuterd stond de zoon aan de overkant, gescheiden van zijn vader door de inmiddels weer op gang gekomen stroom van voortrazende automobielen. Tranen prikten achter zijn ogen. De geur van verschroeid rubber drong zijn neusgaten binnen.

Geslagen bereikte hij het logeeradres waar zijn vader hem breed lachend stond op te wachten. De zoon voelde zich geflikt. Slachtoffer van zijn opvoeder, die hem had geleerd netjes voor het rode stoplicht te wachten. Zijn opvoeder, die hem nu leerde dat nood soms wetten breekt.

Het was vaders laatste overwinning.

Protest

Geplaatst door: februari 4, 2011

Nawal El Saadawi

Ik zit, net als velen met mij, elke avond aan de buis gekluisterd om de ontwikkelingen in Egypte te volgen. Het Tahrirplein in Caïro en de mensen die er rondlopen zijn mij inmiddels net zo vertrouwd als het Mercatorplein in Amsterdam-West. Ik begin van een aantal mensen die het Tahrirplein nu al ruim een week bevolken inmiddels de gezichten te herkennen. Als van buurtgenoten die je op straat vaag bekend voorkomen, maar van wie je verder niets weet, naam noch achtergrond.

Eén vrouw heeft  inmiddels de status van een goede buurvrouw bereikt: de krasse Nawal El Saadawi, volgens Wikipedia een negenenzeventig jarige gynaeocologe, moslimfeministe, politie activiste en schrijfster. Voor de duvel niet bang begeeft zij zich dagelijks naar het brandpunt van de protesten op het plein. Ze laat zich graag interviewen door de internationale media. Tijdens die interviews laat zij in prachtig Engels geen spaan heel van het regime. Ze zegt niet bang te zijn voor de dood, omdat 'de Egyptenaren al dertig jaar dood zijn'. Dikwijls weet zij zich omgeven door authentiek boze landgenoten, die hysterisch fulmineren tegen president Mubarak en zijn regering.  Mevrouw El Saadawi staat hier dan goedkeurend glimlachend naast. Voor mij is zij het symbool van de Egyptische opstand.

Een temperamentvol volk, de Egyptenaren.

Ik probeer me voor te stellen hoe het zou zijn als wij in Nederland op een dergelijke wijze de straat op zouden stromen om het vertrek van de regering af te dwingen. Ziet u het voor zich, een woedende menigte op het Museumplein?

Demonstratie museumplein

Allemaal gekleed in oranje, patriotten als we zijn. We zullen het plein bezet houden totdat minister-president Mark Rutte is opgestapt. Dag en nacht. Week in, week uit. En als het moet langer. We laten ons niet afschrikken door ingehuurde voetbalhooligans die op kamelen en paarden wild om zich heen slaand door de massa stuiven. Wij zullen standhouden, en het Museumplein verdedigen, desnoods tot de dood erop volgt.

Dat probeer ik me voor te stellen. Als ik echter een blik werp op deze foto van onze politiek leider, besef ik het absurde van mijn woeste fantasieën.

Mark Rutte