Postbode
Geplaatst door: wilkers april 20, 2012
De man droeg lang, vettig haar, bijeengebonden in een paardenstaart. Aan zijn kin en wangen hing gezichtsbeharing van het kleurtype peper en zout. Door zijn rechterneusvleugel was een zilverkleurige ring geboord, met de omtrek van een 1-euromuntstuk. Zijn blik was die van iemand in grote psychische nood, dan wel van iemand onder invloed van alcohol of drugs. Of een combinatie daarvan. Hij droeg een verschoten, ruimzittende jas in de kleuren oranje, zwart en wit. Op zijn rug het opschrift ‘TNT’. Daaronder een vale spijkerbroek, en aan zijn voeten afgetrapte, gele sportschoenen van het merk Adidas. Aan de buitenzijde van de linkerschoen ontbrak de derde streep.
Hij duwde met zijn rechterhand een driewielig karretje voor zich uit. Op het karretje waren drie grote fietstassen gemonteerd. De tassen waren grijs, met oranje flappen. Op de oranje flappen de letters TNT. Er zat een scheur van zo’n dertig centimeter in één van de flappen. Uit de tassen staken stapels brieven en pakketjes, bijeengehouden door dik elastiek. In zijn linkerhand hield de man een zelfde soort pakketje. Zijn rechtermondhoek omklemde een smeulend shaggie. Hij nam de peuk uit zijn mond. De nagels vertoonden rouwranden, de vingers hadden een gelige kleur. Hij spoog een enorme fluim op de trottoirtegels. Vervolgens stak hij het laatste restje omvloeide tabak weer tussen zijn lippen en vervolgde hij zijn ongeïnspireerde weg.
Het was de postbode.
In de jaren zeventig van de vorige eeuw zat ik elke woensdagmiddag rond half twee ‘s middags voor het raam van onze flat op drie hoog. Vol spanning speurde ik de straat af. Woensdag was de dag dat de nieuwe Voetbal International werd bezorgd. Ik snakte naar het moment waarop ik de adreswikkel van het verse voetbaltijdschrift kon halen en het blad kon openslaan. Ik verbeeldde mij reeds de geur van het nieuwe papier te ruiken, en vroeg mij af welke voetbalcrack er deze week op de cover zou staan. Ik gokte op Ruud Geels, de kalende spits van Ajax. Hij was in de wedstrijd van afgelopen zaterdagavond met vijf goals de grote uitblinker tegen Feyenoord. Eindstand 6-0. Ik zou het blad eerst helemaal doorbladeren, om te zien welke verhalen en foto’s mij de komende week weer uren lees- en kijkplezier zouden bezorgen. Na die eerste inspectie zou ik elk woord in me opzuigen en elke foto op mijn netvlies branden.
Het duurde voor mijn gevoel uren voordat ik in de verte het geklepper van brievenbussen hoorde. Ik zag de veroorzaker van het geluid nog niet, maar ik wist dat hij nu spoedig zou verschijnen. Opwinding maakte zich van mij meester. Ik opende de deur van onze woning, en nam met grote sprongen de vijf betonnen trappen naar beneden. Ik liep de buitendeur uit, en draaide mijn hoofd naar links. Vanaf die kant kwam hij, elke woensdag weer. Vijfentwintig meter verderop zag ik hem staan, voor de brievenbussen van het flatportiek waar mijn vriendje Hendrik woonde. Een keurig gekapt hoofd, goed onderhouden snor op zijn bovenlip, wangen en kaaklijn gladgeschoren. Hij droeg een onberispelijke grijze pantalon met strakke vouw in de pijpen en een colbert van degelijke, donkere snit. Onder het colbert een smetteloos wit overhemd, met daarop een stropdas. De zwarte schoenen glommen als spiegels, gevolg van ongetwijfeld langdurig poetsen. Naast hem stond een driewielig karretje met daarop chique zwarte leren tassen.
In zijn linkerhand hield hij een pakketje brieven. Geroutineerd liet hij zijn ogen over de enveloppen gaan, en met een zwierige beweging liet hij de poststukken in de verschillende brievenbussen glijden. Toen zijn hand leeg was, duwde hij het karretje voor zich uit en bewoog hij zich in mijn richting. Op het moment dat hij me in het vizier kreeg, krulde een glimlach zijn lippen. Aangekomen bij ons portiek klonk een opgewekt ‘goedemiddag!’ Zijn hand verdween in één van de tassen. Met een zwaai trok de man een stapel door elastiek bijeengehouden papier uit de tas. Hij verwijderde het elastiek, en begon te bladeren. Al snel zag ik de dubbelgevouwen Voetbal International tussen de poststukken oplichten. De gemanicuurde vingers hadden het tijdschrift ook gevonden, en visten hem uit de stapel. Met een royaal gebaar gaf de man mij het begeerde blad. ‘Alsjeblieft, jongen’, klonk het vriendelijk. Blij pakte ik het tijdschrift aan. ‘Dank u wel, meneer!’
Het was De Postbode.
